Mijn geleidehond kan geen pijlen lezen

Op het gehoor en de tast je weg zoeken door een stille en daarna aangepaste stad: Tonia In den Kleef getuigt in De Standaard. Tonia In den Kleef: ‘Door corona is het klankbeeld heel anders. Ik ken de stad door en door, maar nu loop ik verloren.’ Als de klank van de stad verandert.

Als de klank van de stad verandert.

Langzaamaan wordt de stad weer luider. Drukker. Gezelliger, misschien. Maar ook nuttiger voor slecht­zienden en tinnituslijders, voor wie het geluid van de stad cruciaal is om zich te oriënteren of mentaal gezond te blijven. ‘Ik heb geluid nodig om mijn hersenen gerust te stellen.’

‘Hier heb ik de voorbije weken dikwijls veel langer staan wachten dan gewoonlijk ’, zegt Tonia In den Kleef. Ze is, zoals elke dag, op wandel met haar geleidehond Victoria, die haar netjes de weg naar het zebrapad heeft getoond. We staan op het kruispunt van de Frankrijklei en de Mechelsesteenweg, dat al behoorlijk ingewikkeld is, en al helemaal als je blind bent. In den Kleef is getraind in beredeneren wanneer het voetgangerslicht op groen staat. Het enige wat ze nodig heeft, zijn rijdende auto’s – zolang ze verkeer hoort haaks op haar oversteekrichting, is de kust niet veilig. Alleen: de voorbije weken waren er nauwelijks auto’s, dus stond ze noodgedwongen vaak stil, tot er toch een auto aankwam of een voorbijganger opmerkte dat het licht op groen stond. ‘Ik heb absurde toestanden meegemaakt. Door de coronamaatregelen is het klankbeeld van de stad totaal anders. Ik ken de stad door en door, ik ben hier ­geboren, maar nu loop ik verloren. Een winkel die gesloten is, klinkt helemaal ­anders dan een winkel die open is.’

Surrealistisch

Het is zaterdag en het Theaterplein, doorgaans een en al leven dankzij de markt, is leeg. En akelig stil. ‘Dat is hier normaal zo gezellig, met dat geroezemoes en die geuren. En zo lekker, ik eet bijna altijd beuling.’ We lopen door, Tonia In den Kleef kent haar afstanden min of meer, maar op de Wapper is ze even in de war. ‘Zijn we al op de Meir? Normaal hoor ik aan het geluid hoever het nog is. De Meir zonder shoppers, dat is surrealistisch. Ah nee, we zijn er nog niet, ik zie precies een muur op rechts, dan zijn we nog op de Wapper. Een paar weken geleden ben ik verloren gelopen. Ik dacht dat ik op de Meir was, maar de straat voelde veel smaller. Ik moet de Meir overgestoken zijn zonder dat ik het doorhad.’

Aan het eind van de Meir gaat het naar de verkeersvrije straten rond de Oudaan. Een nieuw probleem duikt op. Op de grond zijn pijlen geschilderd – de verkeersvrije straten worden eenrichtingsstraten voor wandelaars. ‘Ik zie het niet en mijn hond kan geen pijlen lezen. Het enige wat ik kan doen, is ervan uitgaan dat de mensen het me wel zullen zeggen als ik tegen de richting in loop. En dan maar hopen dat ze niet boos worden. Een keer heeft een fietser me gevraagd of ik wist hoe agressief ik overkom met mijn stok.’

Tonia In den Kleef, slechtziende

‘De eerste keer dat ik naar de bakker ging, ben ik gewoon ­binnengestapt. Ik had de wachtrij niet zien staan’

Het gaat goed, de pijl in de Wiegstraat staat in de juiste wandelrichting geschilderd. Een straat verderop is het prijs: de pijl in de Lombardenvest staat in de tegengestelde richting. ‘Dus als ik naar de bakker moet, moet ik omlopen. Goed dat ik het weet. Boodschappen doen is moeilijker geworden door de afstandsregels. De eerste keer dat ik naar de bakker ging, ben ik gewoon ­binnengestapt. Ik had de wachtrij niet zien staan. Nu vraag ik waar de laatste staat, en ik vraag of ze me het willen zeggen als ze doorschuiven. Anderhalve meter is ver voor mij, ik zie geen beweging op die afstand. Het is ook jammer dat ik niet meer kan ­horen wat andere mensen bestellen. Ik zie niet wat er in de toonbank ligt.’

Nonkel T

De stad is al weken zichzelf niet. Nu het leven beetje bij beetje weer begint, begint ze gaandeweg weer een beetje meer te klinken als zichzelf – het verkeer neemt toe, de ­winkels zijn weer open. Ook voor Karel Vingerhoets is dat een opluchting. Hij lijdt aan tinnitus en het geluid van de stad helpt hem om daarmee te leven.

Vingerhoets is acteur, en daarnaast is hij samen met audioloog Bart Vinck een jaar geleden begonnen met On-gehoord, een ­expertisecentrum voor tinnitus (ze brachten er zopas een boek over uit, Over tinnitus). Voor corona de boel ontregelde, zag Vingerhoets elke vrijdag lotgenoten in het centrum. Hij vertelt er geregeld zijn verhaal – hoe hij door een geweer dat afging tijdens een repetitie aan de tinnitus kwam, en hoe hij ermee leerde te leven. Het is, legt hij uit, een kwestie van concentratie. ‘Als je tinnitus hebt, zijn je hersenen je ergste vijand. Het geluid dat je hoort, komt niet van buitenaf, maar van in je hoofd. Het goede is dat je je hersenen kunt trainen om dingen uit te schakelen. Ik heb intussen mijn rituelen, ­zoals ’s ochtends meteen de krant lezen. Ik schilder, maak collages, schrijf. Als ik me overgeef aan de dingen die ik graag doe, valt met mijn tinnitus prima te leven.’ Vingerhoets heeft zijn tinnitus zelfs een bijnaam gegeven, Nonkel T, een familielid dat niet tot het kerngezin behoort.

‘Het enige wat ik kan doen, is ervan uitgaan dat de mensen het me wel zullen zeggen als ik tegen de richting in loop. En dan maar hopen dat ze niet boos worden.’

Ook als Vingerhoets op een podium staat, houdt zijn tinnitus zich koest – helaas, het culturele leven ligt nog voor onbepaalde tijd stil. En dan is er nog zijn dagelijkse wandeling door de stad, die niet het gebruikelijke effect heeft nu de stad een sociale woestenij is. ‘Nonkel T is veel minder luidruchtig als ik me kan onderdompelen in het geroezemoes van de stad. Het doet me heel veel deugd als ik in een café kan zitten en de mensen rondom me hoor. Ik heb geluid ­nodig om mijn hersenen gerust te stellen.’

Bart Vinck merkt het bij heel wat van zijn patiënten: de stilte doet hen geen deugd, de afzondering evenmin. ‘Iemand met tinnitus heeft de neiging om zich terug te trekken uit de samenleving, maar dat is een foute reflex. Nu we gedwongen in isolement zitten en niet weten wat de nabije toekomst brengt, komen veel van mijn patiënten in een negatieve spiraal terecht. Je kunt maar met het symptoom omgaan als je weet hoe je brein te sturen, en een brein met stress is moeilijker bij de les te houden. Ik heb een paar patiënten die wanhopig zijn, en zelfs eentje die met zelfdodingsgedachten kampt.’

Tinnitus ontstaat als het oor beschadigd raakt door te veel geluid. De tinnituspatiënt is het slachtoffer van de ijver van het lichaam om de beschadiging van het oor te counteren. ‘Als het centraal zenuwstelsel merkt dat het geluid niet binnenkomt zoals het hoort, probeert het dat op te lossen door de gevoeligheid van de zenuwbaan te versterken’, zegt Vinck. ‘De volumeknop wordt opengedraaid, zodat de hersenen meer prikkels binnenkrijgen. Als er dan plots minder geluid is, zoals nu, verergeren de symptomen van veel patiënten.’

Overgeïsoleerd

Marcel Cobussen, hoogleraar auditieve cultuur

‘We projecteren vaak een ergernis op geluid. Als je een goede relatie met je buurman hebt, zal zijn muziek je minder storen’

Wat voor tinnituspatiënten geldt, geldt voor ieder mens: je lichaam heeft geluid ­nodig om te functioneren. Vinck had enkele jaren geleden de kans om de ‘kamer zonder geluid’ van Microsoft in de VS te beleven, waar elk geluid van buitenaf geweerd wordt en ook de echo geen kans krijgt. ‘Na tien minuten heb ik gevraagd om me eruit te ­laten. Totale stilte voelt als een bedreiging, en je hersenen worden extra waakzaam. Het is niet stilte die we nodig hebben, maar rust, en een afwisseling in de mate van ­geluid tussen dag en nacht. Je oren en je hersenen moeten overdag genoeg te doen hebben. Daarom is te veel binnenzitten in onze overgeïsoleerde huizen geen goede zaak. De lucht is er niet vochtig genoeg, waardoor je oor uitdroogt en gevoeliger wordt – ik heb zelf bij het begin van de lockdown twee luchtbevochtigers gekocht. Door de isolatie krijg je bovendien weinig geluid van buitenshuis binnen. In die omstandigheden gaan meer mensen laag­frequent geluid horen. Ineens hoor je de zwembadpomp van de buren, bijvoorbeeld, of het ventilatiesysteem. In heel stille omstandigheden kun je een overgevoeligheid voor geluid krijgen.’

‘Er is een hoop geluiden die we gemist hebben de voorbije weken’, zegt Marcel ­Cobussen, hoogleraar auditieve cultuur aan de Universiteit van Leiden. Geluid is veel meer dan een bron van overlast, benadrukt hij graag. Een onnatuurlijke stilte zoals die van de afgelopen weken, zeker in de ­steden, vervreemdt ons van onze levens. ‘Als je wakker wordt en niets hoort – niet de buurman die naar zijn werk vertrekt, niet de kinderen die onderweg zijn naar school – heb je geen benul hoe laat het is. Dat is verontrustend. Onbewust ben je gewend aan de geluiden die bij je omgeving horen. Dat is een van de redenen waarom je de eerste nacht in een hotel zelden zo goed slaapt als thuis. Je oren staan altijd aan, dag en nacht, en ze moeten wennen aan een nieuwe omgeving. De psychische klachten waaraan heel wat mensen de afgelopen weken gaan lijden zijn, hebben met die relatieve stilte te maken.’

Cobussen hoopt dat de coronacrisis het effect van een wake-upcall heeft, maar de lofzangen op de stilte gaan hem iets te ver. Het verontrust hem al een tijdje, de negatieve aandacht die het geluidsniveau van onze omgeving krijgt. ‘Natuurlijk is te veel lawaai schadelijk voor onze gezondheid, maar ik geloof niet dat we beter zullen worden van strakke geluidsnormen en decibelmetingen alleen. Ik pleit ervoor om ook de positieve aspecten van geluid meer aandacht te geven. Ik ben helemaal voor meer stille plekken in de stad, maar wat we vooral nodig hebben, is een gevarieerd geluidslandschap waarin stille plekken afwisselen met stromen druk verkeer en plekken waar geluiden van sociaal leven alle ruimte krijgen.’

Gebogen gebouw

Er zijn geluiden die inherent irritant zijn voor zowat iedereen, bijvoorbeeld door hun toonhoogte of volume. Maar geluid krijgt van te veel zaken de schuld, vindt Cobussen. Geluid is niet alleen iets wat je objectief kunt meten, het is vooral een menselijke ­gewaarwording. En dus is geluid subjectief, en onder meer beïnvloed door je gevoeligheid, geschiedenis en gemoeds­gesteldheid. ‘Als een geluid je stoort, is dat niet per definitie door het geluid op zich. Het is vaak een ergernis die je erop projecteert. Waarom storen zoveel niet-motorrijders zich aan het geluid van een zware ­motor? Dat kan bijvoorbeeld zijn omdat ze het associëren met motorbendes, waar ze bang van zijn. Of neem het lawaai dat van bij de buren komt. Als je een goede relatie met je buurman hebt, zal zijn muziek je minder storen dan wanneer je een hekel aan hem hebt.’

Als Cobussen buurtonderzoek doet om de geluidskwaliteit van een plek in kaart te brengen, neemt hij een stel blinddoeken mee. Dat helpt mensen om zorgvuldiger naar hun omgeving te luisteren, en daardoor ook vaak welwillender. Dat bleek ­onder meer in Leiden, waar hij een park en omgeving mocht aanpakken. ‘Bij een bevraging hamerden de buurtbewoners erop dat de vliegtuiggeluiden hen stoorden. Maar toen ze geblinddoekt naar hun omgeving luisterden, beseften velen dat ze het best prettig vonden om af en toe een vliegtuig te horen. Omdat het een onderdeel is van de auditieve indrukken die bij hun stad horen. Natuurlijk is het prettig dat je nu in de stad van alles hoort wat anders gemaskeerd wordt door het verkeer en de bedrijvigheid. Maar als je als stadsbewoner een hele tijd alleen maar vogels hebt gehoord, ben je blij dat er eens een bromfiets langskomt. Die hoort erbij, als bewijs van de levendigheid van je omgeving.’

Steden zouden er wel bij varen als beleidsmakers auditieve inrichting ernstiger leren nemen. ‘Architecten en planologen kunnen het best ook aandacht hebben voor het effect van hun ontwerpen op onze oren, in plaats van alle aandacht op het visuele te richten. Een gebogen gebouw geeft een andere klank dan een recht. Een gebouw in glas en beton resoneert fel, terwijl minder harde materialen een zachter geluidsbeeld geven. Er zijn zoveel kansen om het beter te doen, zeker nu steden stiller zullen worden door elektrisch verkeer, stil asfalt en meer groen.’

De Standaard